De Natuurvrienden roepen 2018 uit tot projectjaar arbeidsmigratie

In het spoor van de biet

Het is nog niet eens zo gek lang geleden dat een golf van extreme armoede over Vlaanderen trok. Het land kon zijn volk niet langer voeden en tienduizenden Vlamingen zagen zich genoodzaakt om elders werk te zoeken. Het vernieuwde Fransmansmuseum in Koekelare brengt hulde aan de werkbeesten van toen.

“Wat zou er van ons worden als we niet elk jaar naar Frankrijk konden uitwijken? Ginder zijn we tenminste vrij en met het geld dat we meebrengen komen we hier de winter door,” getuigt een handwever uit Ronse tegen journalist Auguste De Winne. Het jaar is 1902 en De Winne trekt in opdracht van de krant Le Peuple door onze streken. Hij brengt verslag uit van de barre leefomstandigheden van de plattelandsbevolking. Een reeks die later zal gebundeld worden in de klassieker Door Arm Vlaanderen.
De handwerker zegt blij te zijn dat hij naar Frankrijk kan. Hij werkt ondertussen al zo lang als seizoenarbeider dat hij het als zijn tweede vaderland beschouwt.

De man uit Ronse was zeker niet de enige die andere oorden opzocht om geld te verdienen. Tellingen op vraag van priester Daens toonden een cijfer tussen 57.000 en 60.000 seizoenarbeiders. De grootste groepen kwamen uit West-Vlaanderen en de Scheldestreek in Oost-Vlaanderen, zij gingen vooral in Noord-Frankrijk werken. Die uit het Hageland en de Zuiderkempen trokken naar Wallonië. Driekwart van seizoenarbeiders verdienden de kost dankzij de suikerbiet. Maar ook de graan- en vlasoogst, de dorsmolen, de steenoven, de groenteakkers en de koolmijnen dorsten naar Vlaamse handen. Een seizoenarbeider kon in principe het hele jaar door aan de slag. Gustaaf Eylenbosch, toenmalig hoofdredacteur van de krant Het Volk, laat in 1898 in een verslag optekenen: “De meeste emigranten verhuren zich voor een bepaalde periode en bij dezelfde patron. Anderen trekken eerst naar het zuiden, tot in het departement van de Yonne en zelfs tot beneden Orléans, om de eerste oogst binnen te halen, die er vroeger rijp is. Dan komen ze in ploegen naar het noorden, steeds dichter naar België toe.”

Napoleon Bietaparte 

Arbeidsmigratie heeft altijd bestaan, in de 19de eeuw was het echter een noodzaak om te overleven. De Belgische landbouw verkeert dan in een diepe crisis. De boeren kunnen niet langer concurreren met in het buitenland goedkoop geproduceerde producten. Honger en ziekte heersen na een aantal mislukte oogsten over het moegetergde land. De levensstandaard zakt zelfs terug tot die van de middeleeuwen. In Wallonië zijn de gevolgen minder erg. De steenkool die uit de grond wordt gehaald is de motor van de industrialisatie.

In Frankrijk heerst er op dat ogenblik door de ontvolking van de landbouwgebieden een tekort aan arbeidskrachten. Na het ineenstuiken van de graanprijzen, schakelden de boeren massaal over op de suikerbietenteelt. Daar hadden ze al enige ervaring mee want Napoleon was un amant passionné van het wortelgewas. In 1812 ordonneerde hij dat duizenden hectaren landbouwgrond voor suikerbietenteelt moet worden gebruikt. Heel Europa zat toen al zwaar aan de suiker. Het witte goedje werd aangevoerd uit de koloniën van Engeland, iets wat de Franse keizer natuurlijk niet zinde. Bietsuiker werd pas een succes in 1848, met de afschaffing van de slavernij. Suikerrietplantages verloren hun gratis werkkrachten waardoor de prijs van rietsuiker enorm steeg. Bietsuikerproductie werd op die manier rendabel.

Heropening museum
Het Fransmansmuseum in Koekelare brengt een ode aan de mannen en vrouwen uit Vlaanderen die hun heimat verlieten om in de bietenteelt te werken. In maart ging het museum na een grondige renovatie terug open. Na bijna 25 jaar was het museum toe aan vernieuwing, zowel op inhoudelijk als visueel vlak. De bezoeker stapt er mee in de voetsporen van de bietenmannen. Van het dorpscafé waar ze hun contract versierden, hun lange reis te voet, met de fiets of de trein, tot op de Franse velden. Ernest Claes beschrijft in zijn boek Jeugd hoe hij ze als kleine jongen door zijn dorp zag passeren: “Met vijf, zes of meer bijeengeronseld door hun voorman, trokken ze op, in juli-augustus voor het graan, en later voor de beten. Wij zagen ze in groepjes over de steenweg stappen, van Oxlaar en Molenstede, van Veerle en Averbode, naar het station van Zichem toe, met in een grove “heupelink”, of bedpeluw, die over hun schouder hing, een paar broden, een kommetje spekvet, een paar kousen, klompen, en een hemd. Op de andere schouder droegen ze hun pik, met zakkengoed omwonden en hun pikhaak met een kurk op de scherpe punt.”

Claes omschrijft hun werk zonder al te veel franjes: “weken aan een stuk slaafden ze daar ginder als beesten”. Over de omstandigheden waarin deze wroeters verbleven is al veel gezegd en geschreven. Van zonsopgang tot zonsondergang beulen aan de bieten, vaak zeven dagen op zeven, met als avondeten een pot gekookte aardappelen en dan uitgeput in slaap vallen op een strozak in een stal. De plaatselijke boeren waren erg ingenomen met de geïmporteerde arbeidskrachten, ze konden drie keer zoveel werk verzetten als de lokale arbeiders. Dat zorgde wel eens voor spanningen met de lokale bevolking, die vond dat de Vlamingen hun werk kwamen afpakken.

Eten als varkens
De Vlamingen beschikken bovendien over een competentie die hun broodheren erg kunnen appreciëren: onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Eduard Serré trekt in 1957 als achttienjarige met zijn familie naar een boerderij in Paifve. Het eten dat ze bij de boer krijgen is zelfs te slecht voor de varkens. Hij spreekt de boer erover aan met de niet te missen boodschap dat wanneer ze behandeld worden als varkens, ze zullen werken als varkens.

“De volgende dag wordt het eten naar het veld gebracht,” vertelt Eduard in het boek Hagelandse Seizoenarbeiders, “De verandering is opvallend. Het eten is warm. Ik vertel ronduit over mijn bezoek aan de boer. Het wordt door vader niet in dank aanvaard. In plaats van een aanmoediging, krijg ik van hem ter plekke een pak rammel. Hij neemt het niet dat een van zijn kinderen durft te reklameren bij zijn werkgever. Hij wil enkel Vlaamse onderdanigheid en slaafse gehoorzaamheid.”

Doel van dit harde labeur was de weelde van een schoon hoopje zilvergeld, het loon voor al die dikke daguren. Algemeen wordt aangenomen dat de seizoenarbeiders meer verdienden dan mensen die in eigen streek werkten. Evrard Mattheus en Willy Van Calster rekenen in hun boek Hagelandse Seizoenarbeiders af met deze stelling: “De Hagelander is er een eeuw lang van overtuigd dat de seizoenarbeid hem een rijkelijk inkomen bezorgt. Eigenlijk is het een schijnweelde. Met een normale lengte van de werkdag verdient hij tijdens de seizoenen geen frank meer dan elders. Het verdubbelen van het aantal werkuren zorgt ervoor dat de seizoenslaaf op korte tijd meer geld verdient. Bovendien koppelt hij de onmenselijk lange werkdagen aan een moordend tempo. Alleen zo resulteert zijn seizoenarbeid in een abnormaal hoge verdienste.”
Schijnweelde of niet, dankzij de bietenteelt in Noord-Frankrijk en Wallonië kunnen duizenden Vlamingen overleven, en wanneer het welvaartsniveau stijgt, gebruiken ze het geld om een huis te bouwen.

 

Kameraadschap
Tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trekken elk jaar 40.000 arbeiders over de grens voor hun broodwinning. In de jaren ‘50 doet de mechanisatie zijn intrede en zijn er steeds minder mensen nodig. De aanleg van de E40 en de Wereldtentoonstelling in 1958 zorgen ook voor meer werk in eigen land. Rond 1975 gaat nog een kleine minderheid de campagne doen en in 1985 telt men nog 95 diehards. Zij zullen het eerder uit traditie dan uit noodzaak gedaan hebben. Ondanks alle kromme ruggen, kapotte handen en zere knieën, weerklinkt er vaak een zekere nostalgie doorheen de verhalen van de seizoenarbeiders. Er was kameraadschap, een gevoel van samenhorigheid dat door Stijn Streuvels treffend wordt beschreven in zijn roman De Werkman: “Nu zij er weg waren, en de lastige arbeid voltooid hadden, herinnerden zij zich nog enkel de aangenaamheid van het samenzijn onder kennissen, de gezelligheid der aaneengesloten bende te midden van vreemden in een afgelegen streek; dan was er ook nog de lustigheid van de aftocht, het reizen samen, het lachen en gabberen, zingen en klinken ondereen.”

Het is moeilijk te geloven dat ons platteland een dikke eeuw geleden ontwikkelingsgebied was. De omstandigheden zijn in Vlaanderen zo snel veranderd dat er heel wat verbeeldingskracht nodig is om in de klompen van een seizoenarbeider te gaan staan. Het zweet des aanschijns dat ze achterlieten op de Franse akkers wordt gelukkig niet vergeten. Hun getuigenissen werden neergeschreven in zowel literaire werken als wetenschappelijke studies. Standbeelden en gedenkstenen markeren het punt in de geschiedenis waarin onze voorouders op vreemde bodem ploeterden om te overleven. Dankzij initiatieven als het vernieuwde museum in Koekelare zal hun verhaal niet verloren gaan.

Dries Everaerts

Literatuurlijst: Vlamigrant, Tom Van Mieghem; Belgische Emigranten, Anne Morelli; Hagelandse Seizoensarbeiders, Evrard Mattheus & Willy Van Calster; Door Arm Vlaanderen, Auguste De Winne; In en uit het Hageland. Arbeidsmigratie 1850-2010, Greet Draye.

Dit artikel verscheen in De Natuuvriend editie zomer 2017 n.a.v. de heropening van het Fransmansmuseum in Koekelare